Stadsmuseum Vollenhove

Stadsmuseum Vollenhove

Werkgroep Agrarisch Erfgoed

Startpagina Boerderijen Zoekresultaat

Zoekresultaat:    Nieuwe objecten op internet van afgelopen 3 maanden     

Aantal gevonden objecten : 9   (uit: 20)


Uitgebreid zoeken

Klik op object voor vergroting en meer informatie

1. Recordnummer: 0002  
[Erve] Oud-Schuilenburg
Kadoelen 25 -- Sint Jansklooster          
Volgens Dr. Jochem Kroes zou Oud Schuilenburg vroeger “het Beersgoed” geheten hebben. Die boerderij werd in het Zijlboek van 1449 al genoemd.
De huidige boerderij zou naar verluidt 1723 als bouwjaar hebben.

Uit een akte van boedelscheiding uit 1746 blijkt dat Oud Schuilenburg toen in het bezit kwam van Margaretha Adr. Is. Sloet. Het is waarschijnlijk dat de boerderij al langer in het bezit van de familie Sloet was.
Het kadaster bestaat vanaf 1832 en noemt Arriën Alberts Rook (die getrouwd was met Jacobje Keesen Post) als de toenmalige eigenaar van de boerderij. Maar er wordt bij vermeld dat zoon Cornelis Arriëns Rook toen al de bedrijfsvoerder was.
In 1845 werd Cornelis eigenaar van de boerderij (samen met z’n zuster Jentjen en haar man Harm Kisjes). Hij trouwde met Femmigje Everts van Benthem en kreeg met haar 11 kinderen. Na haar overlijden hertrouwde hij met Vrouwtje Wolters Bruintjes, de verloofde van zijn zoon Albert. Dit veroorzaakte een enorm conflict met Albert en de andere kinderen van Femmigje. Uit het tweede huwelijk kwamen er nog 9 kinderen.
Cornelis is bekend gebleven omdat hij één van de leiders van de Afscheiding in Het Land van Vollenhove was en in 1858 een kerk voor de Afgescheidenen liet bouwen op zijn land op de hoek van de Kadoelen en Bergkampen.
Na het overlijden van Cornelis in 1894 kwam een deel van het land gelijk al op naam van zoon Evert (toen hij geboren werd, was z’n vader al 66 jaar oud!) en de rest zou later volgen, maar het huis werd pas in 1911 zijn eigendom nadat hij in 1907 getrouwd was met Elizabeth Franken. Samen kregen ze twaalf kinderen waarvan er tien in leven bleven (zie foto 3).
Na het overlijden van Evert in 1960 bleef Elizabeth het vruchtgebruik van de boerderij houden en stond ze als “landbouwster” geregistreerd. Dochter Betsie met haar man Cor Been kwamen bij haar op de boerderij wonen (zie foto 4) en gingen daar ook boeren, evenals zoon Cornelis (Kees) Rook (zie foto 5). Ze hadden ieder hun eigen melkbussen en zo stonden er toen drie soorten melk aan de weg. In 1970 werd de vervallen schuur nog herbouwd als stalling/garage en machine berging.
Elisabeth overleed in 1977, waarna de boerderij in 1978 bij inschrijving werd verkocht aan Gerrit Talen uit Staphorst samen met een drietal andere koopmannen (zie de advertentie in foto 6). Cor en Betsie Been verhuisden toen naar het huis met varkensschuur dat zij kort voor het overlijden van Elisabeth hadden gebouwd op de naastgelegen kavel waar voorheen boerderij Cremerink stond (die werd tijdens de ruilverkaveling afgebroken). Gerrit Talen en consorten verkochten in 1980 het huis door aan Marianna Bos (moderedactrice) en Jacob Vissering (journalist). Deze zijn met het verbouwen begonnen en hebben ook het erf in grote lijnen heringericht.
De boerderij is daarna verkocht aan Theo (graficus) en Elly Duin. Zij hebben de meeste verbouwingen verricht o.a. het schilderwerk in oude kleuren hersteld, de bouw van een keuken en van slaapkamers boven. Ze hebben ook de laan met vnl. eiken beplant en de boomgaard met oude rassen aangelegd.
In 1996 kochten Johan (journalist/redacteur) en Marja ten Hove-Rodenburg (letterkundige) het pand. Ze hebben het rieten dak laten vernieuwen en op de deel een boekenkamer laten bouwen.
Oud Schuilenburg is een rijksmonument (ID: 10576) dat als volgt omschreven wordt: “Boerderij met bakstenen puntgevel met vlechtingen en schoorsteen in de top. Bedrijfsgedeelte met rechte noklijn en sterk omhoog gebracht dak boven de zijbaander”.

De heer Evert Rook (kleinzoon van Evert Rook en Elisabeth Franken, zoon van Kees Rook) schetste de situatie rond 1960 als weergegeven op de plattegrond op foto 7. Het lijkt erop dat het oorspronkelijk een driebeukig hallehuis was met middendeel en baanderdeuren in de achtergevel. Op een gegeven moment had men meer ruimte nodig voor opslag van het hooi , stalruimte en de ros-/karnmolen. Toen werd de boerderij verlengd en kwamen er baanderdeuren in de zijgevel (zie foto 8 en 9). De nieuwe dwarsdeel lag toen tussen het oude en nieuwe stuk van de schuur. Helemaal achteraan lagen zowel links als rechts lagere zijdeuren (zie foto 9 en 10). Later zouden er stalruimtes voor deze deuren worden gemaakt (zie plattegrond foto 7). Langs de noord-oost gevel en tegen de achterwand waren stallen voor het melkvee. Inn de achtergevel zitten nog mestdeurtjes, die wellicht vroeger ook in de noord-oost gevel zaten, maar daar later vervangen werden door raampjes). Rechts naast de grote baander deuren waren hokken voor de kalveren en de varkens. Links naast die deuren stallen voor de paarden en het jongvee. De hooivakken waren midden in de schuur voor en achter de dwarsdeel. Achter de boerderij stond een hooiberg en een wagenschuur (zie foto 11).

Het voorhuis (zie plattegrond foto 7) kende in de noord-oostzijbeuk een kelder met tongewelf en daarboven een opkamer en een bedstee, daarnaast een gang, waarin ook gekookt werd, met de voordeur en de toegang naar de kelder. In het midden de grote kamer met schouw en drie bedsteden tegen de achterwand. In de andere zijbeuk was een tweede kamer met bedstee en kast. Aan die zijde ook een aangebouwd bakhuisje met kookpot bereikbaar van af de deel. De spoelruimte met pomp was op de deel naast de kelder. Hier was ook een deur naar buiten (en de gebruikelijke toegangsdeur).
 

2. Recordnummer: 0010  

Leeuwte 31 -- Sint Jansklooster          
De boerderij staat met de voorzijde naar het Leeuwterveld gekeerd (zie foto 2) en met de achterzijde naar de weg. De plattegrond van de boerderij wekt de indruk dat het oorspronkelijk een hallehuisboerderij was met deeldeuren aan de achterzijde en een middenlangsdeel, waar eind 18e/begin 19e eeuw een zijschuur aan is gebouwd (zie foto 3).

Al voor 1832 was deze boerderij in bezit van Geertje Klaassens de Lange, weduwe van Jan Klaas van der Linde. In 1844 erfde Klaas Jansz van der Linde de boerderij en in 1870 ging de boerderij naar Marrigje van der Linde.

In 1918 kocht Harm Souman de boerderij. In 1910 liet hij er een stuk aanbouwen. Het aanzicht vanaf de weg werd daardoor als op foto 4. In 1921 erfde Egbert Harmszn Souman de boerderij en in 1953 werd Klaas Harmszn Souman eigenaar van de boerderij.

In 1962 ging de boerderij over naar Harm Souman. In 1981 liet Harm naast de boerderij een veestalling (zie foto 5) en een woning bouwen (nu Leeuwte 33, aanvankelijk 31a genoemd), waar Helmich Souman kwam te wonen.

Leeuwte 31 ging in 1987 over naar Anne Souman die in 1991 een ligboxenstal liet bouwen op het perceel rechts naast de nieuwe woning (zie foto 6). De oude boerderij telde in het midden van de voorzijde van de voorkamer een grote schouw met tegels aan weerszijden (zie foto 7) en aan de linkerwand fraaie bedsteden boven een kelder (zie foto 8).

In 1998 werd de boerderij gesplitst in twee wooneenheden: 31 en 31 a (aanvankelijk verbouwd als “werkplaats + schuur”, zie foto 9).
 

3. Recordnummer: 0020  
Jacobsonhoeve
Leeuwte 16 -- Sint Jansklooster          
Gerhard Joan Jacobson, die van 1821 tot 1837 burgemeester van Vollenhove was, bezat al voor 1832 het stuk bouwland G 42. Zijn zoon Joan Theodoor liet in 1885 op dit perceel een boerenhuis bouwen (zie foto 1). In 1896 zou de schuur vergroot worden (en wellicht kwam toen het tweede stel zijdeuren erin (zie foto 2).
In 1902 erfde Gerhard Willem Jacobson (“commisionair” in Arnhem (d.w.z. een handelaar / makelaar) de boerderij.
Toen Gerhard Willem in 1920 overleed, kwam de boerderij in handen van zijn zus Johanna Carolina Huberta die getrouwd was met Alexander Leonard Baron von Plettenberg uit Den Haag. Die lieten schuin achter de boerderij een schuur bouwen. In 1931 ging de boerderij over naar hun kinderen: Hendrik de Witt Wijnen uit Gouda en zijn zuster Conradina.
Wie in al die jaren de pachters waren op deze boerderij is niet bekend (een Mooijweer wordt genoemd, maar daar is nog geen bevestiging van).
Conradina verkocht in 1947, kort voor de dood van Hendrik, de boerderij aan Luit Klaasen de Lange (veehouder) die getrouwd was met Iedigje van der Linde. In 1961 werden Iedigje en dochter Antje (Anneke) de eigenaren.
Uit een bouwtekeningen (zie plattegrond foto 3) blijkt dat het woonhuis van de boerderij destijds twee kamers telde gescheiden door een gang. De grootste (westelijke) kamer had een schouw tegen de voormuur twee bedsteden, met in het midden een kast, tegen de zijmuur boven een kelder waarvan de ingang op de deel lag. De andere kamer had een kachel tegen de zijmuur en een bedstee en een kast tegen de achterwand. Aan de westelijke kant was een bakhuisje aangebouwd dat als keuken dienstdeed en dat bereikbaar was door een deur vanaf de spoelplaats op de deel. (zie foto 4). Direct achter het woongedeelte was de dwarsdeel met baanderdeuren in de oostzijde. Naast die deuren was de paardenstal. In het midden was de tasruimte voor het hooi en langs de westzijde lag de koestal (16 standplaatsen) met mestdeurtjes in de gevel (zie foto 5). Tegen de achterwand bevond zich de stal voor het jongvee met daarvoor een dwarsdeel die uitkwam bij de achterste baanderdeuren in de westzijde. De graanzolder boven het woongedeelte was bereikbaar met een trap vanaf de deel. Hier was al provisorisch een slaapkamer afgescheiden.
In 1967 ruilden ze de boerderij (voor een huis aan de Schaarweg) met Gerrit Luteszn van Dalen die trouwde met Elisabeth Huisman. Gerrit liet de boerderij toen verbouwen. Het bakhuisje werd afgebroken, zodat er een zijraam in de woonkamer kon worden gemaakt, en de keuken werd verplaatst naar de oostelijke kamer. De achtermuur van het woongedeelte werd doorgetrokken tot het dak en op de zolder werden twee slaapkamers gemaakt.
In 1972 stortte de schuur naast het huis in tijdens een storm (zie foto 6). De schuur werd herbouwd en daarin kwam toen een veestalling voor 10 koeien (foto 7). In 1975 werd er parallel aan de jongveestal in de boerderij nog een rij standplaatsen voor tien melkkoeien gemaakt, ten koste van de ruimte voor de hooiopslag (nu minder nodig omdat er meer ingekuild werd). De paardenstal werd omgebouwd tot melklokaal.
In 1992 kopen Luut van Dalen en Christien de boerderij. Vader Gerrit zou nog een jaar hier boeren maar in 1993 vertrokken de koeien en werd een stuk van de schuur bij het woonhuis getrokken. In 2010 werd de westelijke zijmuur gerenoveerd, gelukkig met behoud van de mestdeurtjes (maar nu wel geisoleerd).
Onderschriften
 

4. Recordnummer: 0021  

Schaarweg 12 -- Sint Jansklooster          
In 1840 bouwde Peter Hendriks Rozeboom een huis op een stuk bouwland aan de Zuurbekerkampen dat hij van z’n moeder, weduwe Riksjen Rozeboom-Top, erfde in 1828 (zie foto 3). Peter trouwde met Harmina (Mientje) Albertsdr Lassche. Hun zoon Hendrik zou later het vruchtgebruik van de boerderij krijgen (en kinderloos blijven).
Nadat Peter was overleden (1857) hertrouwde Mientje met de -13 jaar jongere- Jacob Arriens Rook. Hun dochter Stijntje Rook trouwde met Hendrik Roelofszn van Benthem en de boerderij zou in 1920 naar hen overgaan. In 1921 laten zij de boerderij verlengen/vergroten en krijgt deze zijn huidige vorm (zie foto 1 en 2) met twee stel baanderdeuren met een dwarsdeel daarachter. Foto 4 (bouwtekening 2007 na afpellen van recente vernieuwingen) laat zien wat mogelijk de oorspronkelijke plattegrond van deze boerderij was: twee kamers met schouw, waarvan de rechtse waarschijnlijk met een opkamertje of bedsteden boven een kelder. Het grote aangebouwde stookhok heeft mogelijk lang als keuken dienst gedaan.
In 1931 gaat de boerderij over naar zoon Jan van Benthem die trouwde met Roelofje van der Linde. Jan en Roelofje overleden beide in 1948 (49 en 47 jaar oud): hij in mei aan een hartaanval en zij in augustus door een beroerte. Hun twee nog jonge dochters Stijntje en Geertje (8 en 6 jaar oud, zie foto 5) komen in huis bij hun ongetrouwde oom Koop van der Linde (zie foto 6) en zijn huishoudster Jentje Rook. Jentje van Benthem (géén familie) en haar man Evert Lok (veehouder) komen dan op de boerderij. In 1965 zou ook het eigendom op hun naam komen.
In 1974 neemt Herman Eshuis uit Oldenzaal de boerderij over en ging deze gebruiken als tweede woning. De boerderij is blijkbaar in de ruilverkaveling gesaneerd.
In 1988 kopen Roelof Hofte en Emma Achterberg, van oorsprong uit Enschede afkomstig, de boerderij. Roelof hield paarden en reed regelmatig met paard en rijtuig door de streek. In deze periode heeft de boerderij de naam “Schouwink” (naar het -helaas verloren gegane- landgoed van de grootvader van Roelof nabij Enschede).
In 2007 kopen A.M. Rijken en D. Nauta (voorheen artsen in Marknesse) de boerderij en laten deze grondig verbouwen. De eerste jaren wordt de woning als vakantiehuis gebruikt, maar vanaf 2010 gaan ze er ook wonen. In dat jaar wordt er nog een hooiberg cum autostalling bijgebouwd.
 

5. Recordnummer: 0022  
[Erve] Caterstee
Kadoelen 19 (ex) nu Openluchtmuseum Arnhem -- Sint Jansklooster          
De boerderij
De boerderij Caterstee werd waarschijnlijk eind 18e eeuw gebouwd als een pachtboerderij van het landgoed de Oldenhof. De boerderij was 25 meter lang en 15 meter breed. De boerderij rustte op het “vierkante wark”: een constructie bestaande uit zes paar zware eiken stijlen (zie s op plattegrond foto 3) staande op gemetselde poeren met tussen elk paar stijlen een balk (gestippeld) die aan weerszijden door de stijlen heen stak en daar aan de achterkant vastzat met een pen (zie foto 4). Over de stijlen lagen de draagplaten en daarop rusten de daksparren (“spoaren”) van het hoge deel van het rieten schilddak die liepen van draagplaat tot de nok en werden verbonden door de hanebalken. In de hoeken van de stijlen met de balken en draagplaten zaten schuine steunbalken (“kipstijl”) om het geheel meer stijfheid te geven. Ook van de draagplaten tot over de zijmuren lagen daksparren boven de zijbeuken van de boerderij (de “útloat”). Het rieten dak had hier een flauwere helling dan het bovenste deel van het dak.

Het voorhuis (“veurhuus”) bestond uit een grote (pronk-)kamer (K op foto 3; zie ook foto 5) met aan de zuidwand twee bedsteden (met schuine streep) met een kast en een open schouw tussen de ramen in de voorgevel. De schoorsteen was hoog opgemetseld tot ver boven het dak (zie foto 1). In de kleinere kamer aan de noordwestzijde, zat de voordeur en een bedstee met kast boven de melkkelder. Deze kamer liep over in de gang met een deur naar de grote kamer, een naar de “opkelder” (een bergruimte boven het keldergewelf) en één naar de deel. De kamers en de gang waren geheel met tegels gevloerd. Achter de bedsteden was een ruimte die “de old el” werd genoemd: “de oude hel”; “Hel” was destijds de benaming voor een lage donkere ruimte (ook bij schepen). Maar als je in de bedstee lag en iemand rommelde daarachter rond, klonk dat wellicht ook best spookachtig.
De grote kamer had waarschijnlijk blauwe tegels met diverse voorstellingen onder de schouw en in een band onder de ramen in de voorgevel, daarboven wit gepleisterd evenals de achterwand (zie foto 5). De panelen van de deuren waren dooiergeel afgezet met een brede bruine band. Het binnenste houtwerk van de ramen was dooiergeel en de kozijnen waren donkerbruin. De achterwanden van de bedsteden kobaltblauw of donkergroen en het binnenwerk van de kasten rood. De kamers hadden een plint van hout, terwijl de gang en de het voorste stuk van de deel (met karnmolen en wasplaats, vaak de “geute” genoemd) hadden een onderrand van zwarte teer.
Aan de buitenzijde waren de vensters en deuren van het woongedeelte blauw-groen.

Het schuurgedeelte van de boerderij was opgetrokken in hout boven een stenen plint.
Op de deel direct achter het voorhuis (K op foto 3) installeerde het openluchtmuseum een rosmolen (zie foto 4), maar S.J. van der Molen, die de Caterstee vóór de afbraak bezocht in 1940, gaf aan dat hier waarschijnlijk een door een hond aangedreven tredmolen heeft gestaan (zie foto 6). De molen dreef via tandwielen en hefbomen de karn aan.
In de noordzijde bevonden zich twee paar baanderdeuren (“banders”): de grote baanderdeuren (BD op foto 3; zie ook foto 7) waren naar binnen gezet, zodat hoog opgeladen hooiwagens naar binnen konden rijden. Later zou men deze deuren in het verlengde van de buitenmuur zetten en ter plaatse het dak oplichten om genoeg hoogte te verkrijgen. Bij de kleine baanderdeuren (Kbd op foto 3), bijna achteraan de boerderij, was het dak een beetje opgelicht om wat hoogte te verkrijgen. Deuren in het schuurgedeelte waren van buiten én van binnen blauw-groen. De houten zijwanden werden in de zwarte teer gezet.
Direct naast de grote baanderdeuren was aan de ene kant de paardenstal (PS op foto 3) met een deur naar buiten. Boven de voerbak van de paarden hing het volgende dichtwerk:
Als we de berg opgaan, slaat ons niet
Als we de berg afgaan, jaag ons niet
Als we aan de krib staan, vergeet ons niet
Wat wij dan niet doen, kunnen we niet
Aan de andere kant van de grote deuren was de wasplaats (W op foto 3) met een pomp (p) waar emmers en ander gerei gespoeld werden. Vanuit de wasplaats had je toegang tot de melkkelder (MK) via een deur en een trap. De kelder met rond gewelf en gepleisterde muren kende rondom een stenen verhoging (“muurtiens”) waarop het melkgerei stond (foto 8).
De grote baanderdeuren gaven toegang tot de dwarsdeel (D op foto 3), die als dorsvloer werd gebruikt. Boven de dorsvloer lagen op de balken tot aan de middelmuur (MM) lange dunne stammen (“slieten”) waarop het ongedorste graan werd bewaard (zie foto 4). Na het dorsen werd het graan op de zolder boven het woongedeelte opgeslagen. De zolder was bereikbaar met een losse trap vanaf de deel. Deze zolder had geen ramen en ontving alleen wat licht vanaf de deel. De hooivakken lagen in het midden tussen de grote en kleine baanderdeuren (H op foto 3). Het hooi werd van bovenuit het hooivak via een ruif met klep in de voergoot (de “zul”: Z) gebracht.
Waarschijnlijk stond het vee aanvankelijk in een grote potstal in de zuidelijke zijbeuk, door een hek en voergoot afgescheiden van het hooivak (H) en de deel (D). Later werd de potstal vervangen door een grupstal voor het melkvee met 16 standplaatsen met aan de deelzijde de stalpalen waaraan de koeien vastgezet werden en daarvoor een gemetselde drink- en voergoot (Z) en aan de achterzijde de mestgoot (“grup”: G) en een smal pad. In de muur daarachter zaten toen 8 mestdeurtjes waardoor de mest naar buiten gebracht werd (één man binnen legde de mest vanuit de grup door het deurtje op de schep van de man die buiten stond en het daar op de mestvaalt bracht).
Tegen de achterwand van de boerderij waren twee potstallen (P), waarin de beesten op de mest en wat strooisel stonden: één voor het jongvee en één voor de varkens. De varkens konden door drie luiken naar een uitloopgebied buiten op het erf of in de boomgaard.
Op het land vóór de boerderij stond (en staat nog steeds) een grote duiventil die toebehoorde aan de adellijke landeigenaren (foto 9). De duivenmest werd periodiek uit de duiventil op een daaronder staande wagen geladen en gebruikt op het bouwland. De duiven zelf kwamen op tafel bij de baron.

De eigenaren en pachters/bewoners van de Caterstee
Het is waarschijnlijk dat Anthony baron Sloet tot Oldruitenborgh (1767-1849) deze boerderij heeft laten bouwen (foto 2). De boerderij bleef tot 1942 (de overdracht aan het Openluchtmuseum in Arnhem) in eigendom van de familie Sloet gebleven en werd verpacht aan lokale boeren.
In 1853 erft Jan Willem Sloet tot Oldruitenborgh (een “verificateur”) de boerderij, met zoon Gerard als mede-eigenaar. Maar al twintig jaar daarvoor was Jan Willem al de vruchtgebruiker van de boerderij.
In 1863 wordt Gerard (dijkgraaf en fabrikant) de enige eigenaar. Pachters in die jaren waren o.a.: 1881-1921: Evert Willems Winter(s) en Hendrikje Everts van Benthem (zie foto 12)
In 1913 gaat de boerderij naar Anton Henri baron van Marxveld, (dijkgraaf en die eigenlijk van Oldruitenborgh heette). Het vruchtgebruik gaat naar Elias Catherina Elisabeth Boudewina douairière (de weduwe van vader Gerard).
Pachters in die tijd van de Caterstee waren: 1921-1942: Johannes Klaassen Boes en Jentje Hoefman (met zoon Teunis Boes en Grietje Spans).
In 1939 liet Anton Henri op het land even ten noorden van de oude boerderij een nieuwe boerderij zetten, met gierkelder, erf, tuin en boomgaard voor de laatste pachter van de Caterstee: Johannes Boes (en zoon Teunis). De Caterstee stond sinds die tijd leeg en was in zeer slechte staat (zie foto 10). In 1939 kwam er een contact tot stand tussen het Openlucht Museum in Arnhem en baron Sloet die van plan was de boerderij te laten slopen, maar het wel voor een schappelijk prijsje (f 1500) aan het museum wilde overdoen, een nieuwtje dat de krant haalde (foto 11). In 1942 werd de boerderij afgebroken en verplaatst naar Arnhem. De herbouw startte in 1943 maar werd sterk vertraagd, eerst doordat een deel van “het opgaande houtwerk” in zo slechte staat bleek dat dit niet meer te gebruiken was en goed eikenhout was in oorlogstijd nauwelijks te krijgen. Vervolgens raakte het gebouw tijdens de W.O. II ernstig beschadigd zodat eerst fondsen verkregen moesten worden om het te herstellen. Maar in 1946 kwam het dan toch gereed.

Inventaris
In het dossier van het Openluchtmuseum voor de Caterstee komt een lijst voor van de spullen die in 1970 in deze boerderij aanwezig waren. Die spullen waren in de tijd van de verplaatsing ingezameld in het Land van Vollenhove, wat dus een aardig beeld geeft van wat men zoal in de periode voor WO-II zoal op een boerderij in deze omgeving in huis had.
Grote Kamer (zie foto 5): wandbordje “Vreest God, Eert den Koning”, 1 armstoel, secretaire (kastje), 5 tafelstoelen, mahonie houten ronde tafel, eikenhouten kist, eikenhouten kabinet op 8 poten; spiegel, pijpenstandaard met lange en korte stenen pijpen, houten tabakspot, koffiekan (groen aardenwerk), wieg, spinnewiel, haardrekje, hangijzer en haalketting, blaasbalg, Treeft (ijzeren driepoot om pan op het vuur te zetten), aardewerken vuurstolp, doofpot (koper), vuurtang en -schep, vuurmand met kleed, 5 wandborden Petrus Ragout; beddepan (rood koper), mangelplank met rol, strijkijzer koper, grote geel koperen pannen met hengsel, kleiner koperen pannen zonder hengsel (2), koperen zwavelstokken doos, koperen melkkan, koperen schuimlepel, vergiet (geelkoper), melkkan, suikerpot en jampot (aardewerk), rasp geelkoper, schalen, kommen, borden, potten, kopjes en schotels van aardewerk, beslagpan (geelkoper), waterkan, tinnen soeplepel, keteltje met deksel geel koper, vliegenstolp, poffertjes vorm, raamhor, inktpot, comfoortje, stoffer en blik (koper), wafelijzer, petroleum lamp (aan de zolder), glazenpot met stolp, kaasrasp, klontjestang, melkkannetje
Gang: 6 gravures met afbeeldingen over het leven van “de verloren zoon”; en een trompe l’oeil (boerenbedrieger) in lijst
Kleine kamer: Mosel Naaimachine, stoel, snotneuslamp, kist, vogelkooi, reistas van tapijtstof
Opkelder: 3 keulse kruiken, zoutpot (keuls), vergiet (aardewerk), bordenrek, botervorm (aardewerk), schaal groen glazuur, waterkan (bruin gres), 3 volgers (deksel van de kaasvorm)
Wasplaats: karn, koperen melkketels (2), plankjes met rondgat in verschillende maten voor het uitpersen van vocht uit botervaten, volgers (deksel op botervat); boterstempel, litermaat roodkoper, aardewerken kan, houten emmers, emmerrek (buiten), melk aad (2) voor het afscheppen van de room, kaasketel met twee kettingen,
Schuur: een honden tredmolen, een houten eenscharige ploeg met verstelbaar voorstuk, een plank met houten ribben om strepen te trekken voor het zaaien van erwten, een zaaivat dat voor de buik gehangen werd bij het handmatig breedwerpig zaaien; zaaimachine voor koolzaad: frame met wielen waaraan op gelijke afstanden drie zaadbussen hingen met verstelbare klep om fijn koolzaad in rijen te kunnen zaaien; zaaimachine met wiel en één zaadbus voor het zaaien van chichorei met twee klauwtjes achter het wiel om de voor weer dicht te schuiven; dorsblok en houten knevels die om het paard werden gehangen zodat het zich niet kon bezeren aan de boom van het dorsblok; Mc Cormick maaimachine 1831; houten mollenbord met ijzerbeslag aan onderzijde met ketting (voor het egaliseren van het weiland: molshopen); weefgetouw voor het maken van genemuider matten; boerenwagen (kon ook als huifkar); koekbreker (lijkt op een vleesmolen) om lijnkoeken in kleine stukken te breken voordat deze aan het jongvee gevoerd werden (gemengd met ondermelk) anders zouden ze hun tanden breken; diverse gereedschappen: hooiharken, gavel (drietandige vork), 4 tands greep, slijpplank, snoeibeitel (voor het afsteken van boomtakken), unster (om te wegen), tuigage voor de paarden, een kaarslantaarn.
 

6. Recordnummer: 0023  
[Erve] Snobbersgoed; Knaterhoeve
Kadoelen 17 -- Sint Jansklooster          
Erve het Snobbersgoed stond eind 14de eeuw bekend als het ‘Snubbersguet des Heeren’. Het was een van de vier “hoven” die de bisschop van Utrecht in het Land van Vollenhove bezat. Bij de hoeve hoorden percelen op het hoge land (‘op de Quadolingerkampen’, ‘op de Barspicker kamp’ en ‘op de camp toe Wendel’), buitendijks land (onder andere ‘Paels Uterdijck end buthedix tot Bairloe’) en land in het veengebied (‘Berspicker weide’, ‘in de Boedelac’, ‘in de Heve, ‘in de Elsheve’).
In 1528 droeg de bisschop zijn landsheerlijk gezag, en daarmee ook het bezit van de vier hofboerderijen, over aan keizer Karel V. Na diens dood werd Philips II de eigenaar van deze boerderijen. Dat is de reden waarom ze heel lang nadien de “koninklijke domeinen” genoemd zouden worden, al vervielen de vier hoeven in 1578 aan de provincie Overijssel. De vier hofboerderijen werden toen, samen met de 15 boerderijen die behoorden aan het klooster St. Janskamp, ondergebracht in een speciaal “Rentambt” beheerd door een rentmeester.

Uit de administratie van het rentambt blijkt dat de gronden behorende bij het Snobbersgoed meestal voor een periode van zes jaar werden verhuurd. Tussen 1580 en 1802 werd de hoeve verpacht aan de volgende families: Tot 1580: Juirgen Jans; 1581-1627: Jan Jansen; 1629-1661: Jacob Wolters; 1662-1672: Andries Everts; 1673-1674: de weduwe van Andries Everts; 1675-1706: Helprich Jacobs; 1706-1720: Rijckend Arends; 1721-1729: Lubbert Geerts; 1730-1735 Annetien Jurriens (weduwe van Gerrit Herms); 1736-1741 Jan Arents; 1742-1753 Meylof Jans; 1754-1755 Steven Jans; 1756-1759 Wolter Roskam; 1760-1771: Geert Jans; 1772-1777: Fierik Rijnders; 1778-1802: Jan Claasen.

In de periode van Jan Claasen brandde de boerderij af en werd deze weer opgebouwd.
Na de omwenteling in 1795 werden de vroegere kloostergoederen en de vier hofboerderijen verkocht. In 1802 kocht L.E.W.S. Sloet tot Olthuys de boerderij op een veiling voor f 4100, maar even later verkoopt deze de boerderij voor f5000 door aan Wolter Roelofs Roskam (die op de veiling ook al geboden had) en zijn (tweede) vrouw Grietjen Klaasen de Lange. Die sloten daarvoor een hypotheek op de boerderij af bij adellijke mevrouw G. van Middachten-van Dorth. Nadat Roskam overleed hertrouwde zijn vrouw Grietjen (40) met Hermen Keezen Post (25) die de hoeve wist uit te breiden met een deel van het naastgelegen Rentingserve.
Bij Hermen’s overlijden in 1861 bleek dat dochter Jentje, die inmiddels was getrouwd met Anthony Greve, het vruchtgebruik van een deel van het land kreeg maar de boerderij op naam kwam van kleindochter Niezina Greve (nog maar 6 jaar oud), die in 1881 zou trouwen met Jan van ’t Oever (een sigarenfabrikant uit Kampen). Het is niet bekend wie in de tussentijd de boerderij beheerde.

In 1913 werd de boerderij verkocht aan Jan Tiemensz Corporaal en zijn vrouw Jentje Rook. Die liet wat oude schuren rond het huis slopen en een gierkelder bouwen (zie foto 3).
Op basis van een latere (ver-)bouwtekening is te reconstrueren dat de boerderij in die tijd de volgende indeling had (zie plattegrond op foto 4). Het voorhuis had in het midden een grote kamer (vermoedelijk vroeger met bedsteden tegen de achterwand en een schouw tegen de voormuur), daarnaast een gang met toegang tot een kamer en een berging boven de kelder. De toegang tot de kelder was op de deel. Het was gebruikelijk dat daarnaast op de deel de spoelplaats was en de pomp. De doorsnede (zie foto 5) laat zien dat de veestalling aan de noordzijde lag met mestdeurtjes in de muur achter de grup.

In 1938 kwam de hoeve in bezit van dochter Jentje Corporaal die getrouwd was met Hendrikus Boes, maar die verkochten de boerderij al in 1939 door aan Wietze Kisjes (aanvankelijk samen met diens broers) die trouwde met H.W.J. van der Stouwe.

In 1965 kochten Derk Jan Meijers en Teuntje Pluim deze boerderij. Zij lieten de voorgevel opnieuw opmetselen en grotere ramen installeren (zie foto 6). Na het overlijden van Derk Jan in 1973 zette Teuntje de boerderij door met steun van zoon Egbert Meijer. In dat jaat werd er een kapschuur direct achter de boerderij gebouwd (zie foto 7). Egbert werd in 1986 de eigenaar van de boerderij.
In 2005 werd de boerderij gesplitst en het achterste deel van de schuur werd verbouwd tot woonhuis (door/voor B. te Paske).

Wanneer de naam "Knaterhoeve" is ontstaan en wat die betekent tasten we nog in het duister.
 

7. Recordnummer: 0024  

Zuurbeek 5 -- Sint Jansklooster          
In 1843 erft Maria Antoinette van Middachten o.a. een stuk bos van haar vader Reint Wolter baron van Middachten, één van de rijke edelen in Vollenhove.

In 1847 koopt Evert Hendriks ten Napel (landbouwer, getrouwd met Marrigje Klaasen van der Linde) het perceel, dat hij in 1848 opsplitst en op het deel G 1533 laat hij een huis bouwen (zie foto 2).

In 1855 verkoopt ten Napel het huis aan Hermen Keessen Post, getrouwd met Grietje Klaassen de Lange. Hij was zowel boer als raadslid en wethouder in Ambt Vollenhove en eigenaar van diverse boerderijtjes in Ambt Vollenhove.

In 1861 erft zijn dochter Jentje Hermens Post het boerderijtje. Zij trouwt met Anthonie Gerrits Greve, die in 1866 overleed. Na het overlijden van Jentje in 1870 gaat de boerderij naar dochter Jansje Anthonies Greve. Jansje trouwt in 1874 met Gerrit Willemszn Doornink (een boer uit Heerde) maar blijkbaar overlijdt Jansje (in het kraambed?) in 1975. Gerrit houdt Zuurbeek 5 tot 1902 in eigendom maar woont/boert in Heerde. Vanaf begin jaren zeventig hebben er dus waarschijnlijk pachters op het boerderijtje gezeten, maar daar zijn de namen niet van bekend.

In 1902 koopt Jan Jannesen Winters het huis en gaat daar wonen met Geertje Lutens Lok (zie foto 3) met – uiteindelijk- 8 kinderen. Jan was los landarbeider en ging spitten, maaien, hooien, melken, sloten schonen, houtwallen onderhouden en stallen uitmesten bij wie hem maar inhuurde. Dit alles ging met de hand en zowel bij de boer als thuis, want Winters had zelf ook een stukje land, een paar koeien, een geit en een varken. Voor het maaien en hooien van het eigen land leende hij een paard van de buren. Voor het vervoer van de melkbussen spande hij de hond voor de hondenkar. Het hooi borg hij op de zolder boven de stal en, nadat die was ingestort, tussen schotten op de deelvloer. Van al dat harde werken hield hij op latere leeftijd zo’n erge reumatiek over dat z’n vrouw de pijp voor hem stopte en aanstak. Geertje verzorgde thuis de dieren, lette op de kinderen, deed de was met de hand op een wasbord, zorgde dat er eten op tafel kwam, breide sokken, herstelde de kleren, e.d. Ook de zorg voor de moestuin en het schoonmaken en inmaken van groenten berustte bij haar. Gedroogde appeltjes gingen op zolder, aardappelen in de kelder. Ze kookte het eten op een petroleumstel dat op de deel stond vlak bij de achterdeur, dus het was een eind lopen naar de eettafel.
De dochters van Jan en Geertje Winters gingen zodra ze twaalfjaar oud werden naar de boerderij van familie op Zuurbeek 3 om daar te helpen met melken en schoonmaken (en thuis een kostganger minder!).

Oude bouwtekeningen laten zien dat het boerderijtje de bekende driebeukige opbouw had.
De baanderdeuren in de rechterzijde waren maar 1.75 hoog (het dak nauwelijks opgelicht) en achteraan was een deurtje van maar 1.52 cm hoog (zie foto's 4 en 5).
De baanderdeuren gaven toegang tot een dwarsdeel met aan de overkant ook een lage deur. Van die deuren naar achteren was waarschijnlijk de koestal met helemaal links in de hoek een houten hokje dat dienstdeed als wc. In de achterwand waren een aantal mestdeurtjes dus hiervoor zullen hokken voor varkens, geit en/of jongvee zijn geweest.
Het voorhuis kende een grote kamer in het midden met twee ramen in de voorzijde met daartussen een schouw en in de zijbeuken links en rechts twee bedsteden. Onder de bedsteden aan de noordoostzijde was de kelder die bereikbaar was via twee klepdeurtjes vanaf de deel vlak naast de baanderdeuren.
In 1923 werd de boerderij verbouwd (ca 30 % aan belasting “bebouwd” erbij: verlengd of losse schuur gezet?).

In 1936 verkoopt Jan het bouwland naast en achter het huis aan Willem Gerritszn Bos die daar een huis liet bouwen (nu Zuurbeek 7) waarvoor Bos hij een goedkope hypotheek van de gemeente verkreeg met hulp van de Vereniging “Arbeid Adelt”, die arbeiders hielp om een ordentelijk “plaatsje” te kunnen verwerven. Willem Bos trouwde met Hendrikje, de jongste dochter van Jan en Geertje.

Toen in de vijftiger jaren de waterleiding werd aangelegd, maar Jan Winters wilde daar niet aan meewerken want hij had toch goed drinkwater uit de pomp op het erf. Maar aansluiting was verplicht en wie weigerde moest een boete betalen.

Na het overlijden van Jan in 1965 kwam het huis op naam van 7 kinderen en 4 kleinkinderen. In 1967 komt het huis op naam van dochter Hendrikje Winters en haar man Willem Bos die de boerderij in 1968 verkopen aan Ir. Hendrik Vissinga en diens vrouw Anneke Becude. Die passen het huis verder aan door op de deel een keuken, douche en slaapkamers in te bouwen. Zij gebruiken het huis als tweede woning.

In 1993 koopt Josje Nieuwenhuys het boerderijtje. Zij laat het jaar daarop een schuur/garage achter het huis zetten. In die schuur was o.a. plek voor haar antieke locomobiel (een Marshall 1 cylinder uit 1898). Deze stationaire stoommachine (zie foto 6) werd vroeger gebruikt om machines aan te drijven voor het dorsen van graan, het maken van pakjes hooi of het zagen van hout.
 

8. Recordnummer: 0027  
op Oldenhof
Oppen Swolle 5 -- Sint Jansklooster          
In de boerderij “op Oldenhof” zit linksboven de deur in de korte voorgevel een gevelsteen met opschrift “Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk heeft / Den eersten steen / Gelegd den 6 Sept. 1788”. Het was de vader van deze jongeman die de boerderij liet bouwen: Jan Arent de Vos van Steenwijk, thesaurier-generaal ten tijde van de Bataafse Republiek en een tijdlang landdrost van Gelderland. Hij had tien jaar daarvoor ook het kasteel de Oldenhof grondig laten verbouwen.

De boerderij van het landgoed bestond aanvankelijk (zie plattegrond foto 2) slechts uit een koetshuis (waar o.a. een landauer, Engelse brik, en een koets met lampen van de baron of freule kwamen te staan), stallen voor de tuigpaarden met granieten voerbakken (zie foto 3), en woonruimte voor twee dagloners. Zware grenen balken liepen over de hele breedte van het gebouw.

Begin twintiger jaren van de 19e eeuw werd het boerderijgedeelte er dwars achter gebouwd (zie foto 4 en plattegrond foto 5) met ruimte voor de deel/dorsvloer met daarboven opslag van ongedorst graan, de koestal (met plaats voor 26 koeien, de voorbenen stonden in de paardenmest en de achterpoten op een stoep van klinkers, diverse vakken voor hooiopslag, een potstal voor het jongvee, een varkenshok en stallen voor de stier en de werkpaarden. Boven het varkenshok was een ruimte voor de kippen. Langs de noordzijde van het huis werd een langsdeel aangebouwd (zie “deeltje” op plattegrond foto 5) met een voordeur. De linker woonruimte werd nu ingericht voor de rosmolen voor het karnen en onder de rechter woonruimte werd een kelder gemaakt bereikbaar vanaf de nieuwe langsdeel. Naast de boerderij kwam een bakhuisje met een grote schouw. Deze inrichting van het gebouw zou tot de restauratie en verbouwing in 1972 vrijwel ongewijzigd blijven.
Volgens de rijksmonumentendienst heeft de boerderij een schilddak gedekt met Hollandse blauwe pannen. Het aangebouwde bedrijfsgedeelte was aanvankelijk rietgedekt en het riet is nu nog onder de pannen aanwezig. Rond de grote baanderdeuren in de oostzijde van de schuur is een toog van natuurstenen blokken. De boerderij heeft vensters met twaalf-ruits schuiframen en natuurstenen dorpels. De bestrating rondom is van flinten (zwerfkeien). Niet alleen de boerderij maar ook het bakhuisje (foto 6), de “hoenderhokken” (zie foto ??, de kapschuur en de duiventil hebben de status van rijksmonument. De baander-deuren aan de noordoostzijde hebben boven de deuren een balkje dat omhoog gedraaid kon worden waardoor de hooiwagens met 20 cm hogere lading naar binnen konden rijden (zie foto 6 de witte balk rechts).

Na het overlijden van Jan Arend Godert in 1824 was er een moeilijke periode: In 1825 raakte de grote overstroming ook het landgoed: in de boerderij stond het water van de Zuiderzee tot aan de ramen van de boerderij. In 1826 verkoopt broer Hendrik Anthonie Zwiers De Vos van Steenwijk het landgoed incl. de boerderij aan Anthony baron Sloet tot Oldruitenborgh. Voor de verkoop van meubilair, gereedschappen en vee wordt een veiling gehouden (Anthony wou dat blijkbaar niet hebben). Anthony Sloet was een vermogend man want erfgenaam van een rijke vader van oude adel, directeur van de Staatsloterij en kamerheer van Koning Willem I. Aan het begin van de oprijlaan staat nog een ijzeren hek waarop staat "Anno / de / Oldenhof / 1826” ter herinnering aan het feit dat toen het landgoed weer in handen kwam van de familie Sloet. Het was namelijk Gerhard Sloet die in het tweede kwart van de 17de eeuw de havezate had laten bouwen, maar na zijn overlijden was het landgoed door zijn nabestaanden verkocht. Anthony maakte een begin met de parkaanleg rond het landgoed welke door de volgende generaties verder zou worden uitgewerkt (zie foto 7).

In 1853 erft Willem Jan Philip baron Sloet van Toutenburg het landgoed inclusief de boerderij. Na zijn dood erft Antoinette Maria baronesse Sloet het. In 1894 komt het landgoed in bezit van Gerard baron Sloet van Marxveld (fabrikant). In 1920 wordt Isabella Geertruida baronesse Sloet van Marxveld (hofdame van koningin Wilhelmina m.n. belast met de opvoeding van prinses Juliana) de eigenaar. Dat maakte dat er in latere jaren weleens koninklijk bezoek was op de Oldenhof.

In 1973 erft Jan Willem Gerard Sloet van Oldruitenborgh (civiel ingenieur) het landgoed, dat inmiddels behoorlijk in verval was geraakt. Hij brengt het landgoed, inclusief boerderij, in 1976 onder in de Stichting “de Oldenhof” en het landgoed werd opengesteld voor publiek. Ir. Clara Johanna Margaretha barones van Oldruitenborgh (de dochter van Jan Willem) werd de eerste voorzitter van de Stichting (tot 2012). In 2017 verkocht de stichting de boerderij de Oldenhof in erfpacht aan de familie Jongman die er een koffie en theeschenkerij van maakten (zie foto 1).

Vanaf 1800 werd de boerderij bewoond door generaties Haasjes. De eerste generatie kwam te voet uit Rouveen met een kind van 4 jaar aan de hand, en de huisraad op een kar: Reint Jans Haasjes (1765- 1817) en Wijntje Klaasen Souman. Daarna volgden: Jan Reints Haasjes (1802- 1868) en Machteld Jans Winters; Reint Jans Haasjes (1830-1918) en Grietje Derks Winters; Jan Reints Haasjes (1873-1910) en Jentje Alberts Weijs; Reint Jans Haasjes (1899- 1971) en Hendrikje Harms Voerman. Reint was nog maar 11 jaar toen Jan overleed. Zijn moeder hertrouwde met Klaas Winters die een tijdlang de boerderij runde tot Reint (zie foto 8) het overnam en Klaas vertrok naar een boerderij aan de Schaarweg. Toen Reint 65 werd, nam zoon Albert het van hem over. Maar een paar jaar later betrok hij met z’n vrouw een boerderij in de Noordoostpolder. Toen Reint in 1971 overleed, nam zoon Harm Haasjes het pachtcontract over.
De pachtcontracten tussen de Sloets en de Haasjes hadden gewoonlijk een aantal specifieke vereisten onder andere dat de pachter brandhout, fruit, melk en eieren leverde en dat de rijtuigen van de baron en barones op de boerderij werden ondergebracht en hun rijtuigpaarden daar gestald en verzorgd werden.

De boerderij was van oudsher een gemengd bedrijf (veeteelt en akkerbouw) met personeel. Ze verbouwden o.a. haver, rogge en aardappelen op percelen dicht bij huis maar ook ver weg tot nabij Blokzijl. Het ongedorste graan lag op slieten boven de deel. De aardappelen in een kuil afgedekt met een laag grond.
Brood werd vroeger gebakken in het bakhuisje naast de boerderij, dat werd gestookt met takkenbossen. Daar werd ook de vis gebakken, slechte aardappelen gekookt tot voer voor de varkens, de was gekookt, heet water gemaakt voor de slacht van de varkens, e.d.
Het vee werd van water voorzien uit twee hand gegraven waterputten van elk zo’n 6 meter diep, één in de melkveestal en één in de paardenstal, met een houten pomp met gietijzeren zwengel en loden stijgbuis. De pomp in de paardenstal (zie foto 9) was met een ingegraven buis verbonden met de veestal, zodat als men daar niet genoeg water had dit aangevuld kon worden met water uit de paardenstal. In 1948 werd opzij van de boerderij een bron geslagen van 48 meter diep waaruit met een Norton pomp het water opgepompt werd voor het vee.
Achter en opzij van de boerderij was een mestvaalt op een vloer van keitjes. Aan de achterzijde van de boerderij tegen de rand van de grote moestuin en boomgaard stonden (en staan nog steeds) 2 varkenshokken (voor 3-4 zeugen), 2 kippenhokken (zie foto 10), een hok voor de schapen, een kapschuur / houtzagerij en een houtopslag.

In 1944 werd de Hengstenvereniging Vollenhove en omgeving opgericht. Voor vele boeren was het bezwaarlijk dat ze helemaal naar Meppel of Zwolle moesten voor een goede dekhengst. De vereniging kocht daarom zelf een stamboek dekhengst, zoals Vendelier, Borculo (zie foto 11) en d’Olivier, en stelde die ter beschikking aan de leden. Reint Haasjes van de Oldenhof werd de houder van het dekstation want die had al ervaring met de eigen dekhengst Milord. Tot ver in de vijftiger jaren kwamen jaarlijks zo’n 130 werkpaarden ter dekking naar de Oldenhof. Nakomelingen van deze hengsten, vooral die van Vendelier, behaalden op lokale keuringen vele prijzen. De opkomst van trekkers en de ruilverkaveling maakten dat werkpaarden minder nodig waren en het dekstation minder werd gebruikt en begin jaren zeventig werd beëindigd.
Reint Haasjes was ook één van de eersten die een stamboekstier ter dekking aanbood. In 1947-’48 werd in Ambt Vollenhove een fokvereniging opgericht die ging bevorderen dat boeren geen eigen stier meer hielden maar gebruik zouden maken van een stamboekstier met een goede afstamming wat betreft melkgift en vetgehalte. Later bleek dat gebruik van de stierhouderij vaak problemen opleverde met overdracht van geslachtsziekten, onder andere abortus bang, waardoor de boeren zouden gaan overschakelen op kunstmatige inseminatie en aan de stierenhouderij op de Oldenhof een eind kwam. In de 50er en 60er jaren hield de fokvereniging jaarlijks bij de Oldenhof een jongveedag, waar de jeugd hun opfokprestaties kon tonen.
Naast het dekstation voor paarden en de stierhouderij had Reint Haasjes ook een kwaliteitsbeer van de fokvereniging en diverse rammen.

Toen Reint Haasjes in 1971 overleed was de boerderij in verval geraakt. De boerderij werd eerst grondig gerestaureerd en verbouwd voordat zoon Harm Haasjes daar ging wonen en werken. Het koetshuis werd omgezet in een woonkamer en de kleine baanderdeuren die toegang gaven tot het koetshuis werden vervangen door ramen (zie foto’s 12 en 13). De voorste deur in de zijgevel, waar vroeger het paard naar binnen ging om in de karnmolen te lopen, werd verplaatst - met de gevelsteen die daar boven zat- naar de korte voorgevel en de karnruimte werd keuken (gekarnd werd er immers sinds de opening van de melkfabriek in 1897 niet meer op de boerderij) (zie foto’s 14 en 15). Ook werd er nu een “watercloset” aangelegd met een sceptictank. Op de appelzolder werden twee slaapkamers gemaakt.
Daar de boerderij “op Oldenhof” niet erg geschikt was om in te richten als een modern veeteeltbedrijf werd besloten om de 20 hectare pachtgrond in te brengen in een maatschap met zijn schoonvader Roebers, waar Harm al sinds 1959 werkte en het melkvee te houden in de nieuw gebouwde ligboxenstal aan de Noordwal en de kalveren op de Oldenhof boerderij. Maar een paar jaar later bleek het heen en terug vervoeren van het vee toch te bezwaarlijk en bouwden ze een schuur voor het jongvee op de Noordwal en verdween het vee van de Oldenhof.

In 2015 werd het pachtcontract van Haasjes door de Stichting de Oldenhof beëindigd en kwam er een eind aan een lange traditie van pachters op de Oldenhof. In 2017 verkocht de stichting de boerderij de Oldenhof in erfpacht en de nieuwe eigenaars/bewoners exploiteren daarin nu een Koffie- en Theeschenkerij en een Bed and Breakfast naast het beheren van de natuurcamping op het landgoed.
 

9. Recordnummer: 0028  

Leeuwte 38 -- Sint Jansklooster          
In 1887 geeft Annigje Siemens Klaver (weduwe van Hendrik Klaasen van der Linde, beroep landbouwster) aan haar zoon Harm(en) Hendriks van der Linde een perceel bouwland in erfpacht waarop deze een huis bouwt. Hij trouwt dan met Christine Tiemens Regelink.

Wanneer Harm in 1900 overlijdt, erft zijn zoon Hendrik Harmszn (toen nog maar 17 jaar oud, maar al als landbouwer geregistreerd) het huis samen met z’n broer Tiemen en zus Catherina (de weduwe van Hein Egberts de Olde). Naast Tiemen en Catherina wordt nu ook Catherina’s dochter, Hendrikje de Olde, als mede-eigenaar genoemd. In 1925 bouwt Hendrik een schuur achter het huis. In 1936/37 wordt de schuur aangepast. Uit latere (ver-)bouwtekeningen kan worden opgemaakt dat de boerderij in die tijd er zo uitzag (zie de plattegrond foto 2): het voorhuis bestond uit één grote kamer met een grote schouw tussen de ramen van de voorgevel, met in de ene zijbeuk een bedstee en kast met daaronder de kelder en aan de andere zijde twee bedsteden en een kast. Achter het voorhuis een dwarsdeel met spoelruimte aan de ene zijde en baanderdeuren aan de andere zijde van de deel. Daar achter de tasruimte voor het hooi en de stalling voor de paarden. Dan een houten tussenwand en daarachter de koestal met twee rijen koeplaatsen aan weerszijde van de langsdeel. In de achterzijde een deur aan het eind van elke grup om de mest weg te kunnen kruien, ook zichtbaar op foto 3 (de achtergevel). Achter de boerderij een hooiberg (zie foto 5).
In 1954 wordt de boerderij gedeeltelijk vernieuwd.
Wanneer Hendrik Harmsen in 1960 overlijdt, neemt nicht Hendrikje Heins de Olde de boerderij over samen met haar man Lucas Hendriks van Dalen. De boerderij verliest in deze jaren zijn agrarische functie (tijdens de ruilverkaveling) en in 1967 worden een keuken, doucheruimte en wc op de deel gebouwd en twee slaapkamers op de vroegere tasruimte voor hooi daarachter. Foto 4 geeft de nieuwe situatie weer en foto 5 toont het aanzicht van de boerderij dat toen ontstond.
In 1972 nemen Tom Schoorl en Alberta Immigje Bongaards de boerderij over (vanuit de ruilverkaveling) en wordt er een zolderverdieping met twee slaapkamers met vide ingebouwd. Vanaf die tijd dient de boerderij als tweede woning. In 1984 wordt de voormalige koestal ingericht als woonruimte met keuken e.d. en in het oude voorhuis komen slaapkamers (zie foto 6).
In 2019 nemen Eric Schoorl en Marjolijn van der Meij de boerderij over van zijn ouders.
 

 

Uitgebreid zoeken

Laatste wijziging binnen getoonde objecten: 7 september 2022